Geloof

Soms krijg ik van bloglezers de vraag of mijn geloof me steunt. Dat doet het zeker. Om dat uit te leggen maak ik opnieuw gebruik van een zelfbedachte metafoor.

Het doet mij denken aan mijn studententijd. Mijn ouders steunden mij toen ik wilde gaan studeren, zodat ik me verder kon ontwikkelen. Bovendien hoopten ze dat ik daarmee meer kans maakte later het beroep te kunnen uitoefenen dat ik zo graag wilde en het beste bij me vond passen. Ze vonden het best wel spannend dat ik daarvoor op kamers ging in een andere stad, want ze wisten (waarschijnlijk beter dan ik indertijd) welke gevaren daar op mijn pad konden komen. Maar ze vertrouwden mij en mijn innerlijke kracht en ze gunden het me. Bovendien, wat voor mij heel belangrijk was, zeiden ze me dat ik altijd welkom thuis zou zijn. Ik realiseerde me dat dat ook gold als ik er toch onvoldoende van zou bakken of als er iets ergs op mijn pad zou komen.

Dat beeld heb ik bij God. Ik mag van God ‘op kamers’ op deze aarde. God zou me misschien graag onder een stolpje willen plaatsen om me te behoeden voor alle gevaren, maar vindt het nóg belangrijker dat ik de ruimte en vrijheid krijg om me te ontwikkelen. God hoopt bovendien dat ik ontdek hoe mooi het is om samen met de andere studenten, de overige bewoners van deze aardbol, er een fijne, zinvolle tijd van te maken en elkaar te helpen.

Ik ben daarom nooit boos op God dat ik ziek ben geworden. Ook vraag ik me nooit af wat het doel daarvan is. (Beide wordt me namelijk ook af en toe gevraagd.) In mijn studententijd heb ik mijn ouders ook nooit boos opgebeld met de vraag waarom ze niet hadden voorkomen dat ik een onvoldoende kreeg voor mijn tentamen. Of hen gevraagd welk doel ze voor ogen hadden toen ik door een verkeersongelukje met fiets en al in de gracht was gevallen. De gevaren komen niet van hen. Ze hadden dat alles kunnen voorkomen door me thuis te houden, maar ik had de vrijheid nodig, het was me gegund en daar horen deze risico’s nou eenmaal bij.

Mijn ouders vinden het verschrikkelijk dat ik nu ziek ben, God volgens mij ook. Maar als het ooit definitief mis gaat en mijn lichaam gaat letterlijk kapot, aan kanker of ouderdom, laat ik dit ‘studentenuniform’ achter op aarde en ben ik -net als ieder ander- bij God weer welkom thuis. Om van daaruit een volgend avontuur te mogen beginnen, waar en in welke nog ondenkbare vorm dan ook.

Tot die tijd mag ik met jullie genieten van deze bijzondere periode in ons bestaan, die we ‘leven’ noemen. Een periode waarin we elke dag weer ruimte en nieuwe kansen krijgen. Kansen om te leren en om temidden van de risico’s met vallen en opstaan gezamenlijk te proberen op deze aardbol er iets moois van te maken.